recensies

Kapitalisme en een gezonde aarde gaan niet samen

Geplaatst op Geupdate op

 

De auteur is niet aansprakelijk voor gevoelens van onbehagen of pessimisme die de lezer kunnen overvallen bij het lezen van de eerste hoofdstukken van dit boek.’

Niet gespeend van enig cynisme zet Ludo De Witte meteen de toon in ‘Als de laatste boom geveld is, eten we ons geld wel op.’ Het moet gezegd: middenin het verhaal duiken van de klimaatopwarming, de achtergronden en de manier waarop wereldleiders er (niet) op reageren is harde materie.

 

Dat geldt net zo goed voor ‘No Time – Verander nu voor het klimaat alles verandert’ van de Amerikaanse journaliste Naomi Klein. Beide boeken gaan uit van dezelfde stelling: kapitalisme en een gezonde aarde gaan niet samen, als we de klimaat- en andere rampen die ons boven het hoofd hangen willen vermijden, moet het kapitalisme op de schop.

Klein en De Witte vullen elkaar daarin perfect aan, De Witte refereert ook meermaals naar Klein. Het verschil zit hem vooral in de reikwijdte van hun publicaties: De Witte houdt het met goed 200 pagina’s bescheiden en richt zijn kritische pijlen vooral op de Belgische context, terwijl Klein andermaal een adembenemend staaltje onderzoeksjournalistiek van meer dan 500 pagina’s aflevert en een bredere blik hanteert die zowat de hele wereld bestrijkt.

En ja, je wordt er meer dan eens ronduit kwaad van, van deze lectuur. Klein schetst hoe sinds de jaren 1990 er een parallelle evolutie heeft plaatsgevonden: door allerlei handelsakkoorden hebben de internationale vrijhandel en de globalisering een hoge vlucht genomen, terwijl wat de zorg voor het klimaat en de aarde betreft we ons sinds de Klimaattop van Rio in 1992 van het ene nietszeggende akkoord naar de volgende geflopte Top hebben gesleept. Reden: het primaat van ons economische systeem, dat drijft op liberalisering, deregulering, verlaging van belastingen en beperking van overheidsingrijpen, terwijl voor het tegengaan van de klimaatopwarming nu net het tegenovergestelde nodig is. Overheden durven niet in te grijpen uit angst dat hen protectionisme of godbetert communisme zal worden verweten, de olie- en gassector is oppermachtig en lobbyt net zo lang tot elke maatregel om de opwarming onder de gevreesde 2° te houden wordt afgezwakt of afgevoerd. Want de dwingende logica van de fossiele-brandstoffenindustrie is onverbiddelijk: elke druppel olie, elke vleug aardgas zal aan de aarde worden onttrokken. Intussen zijn we zover dat alleen nog met risicovolle technologieën olie en gas valt te winnen: diepzeeboringen, olie uit teerzanden waarvan de ontginning vele keren vervuilender is dan die van conventionele olie, schaliegaswinning waarbij grote hoeveelheden van het sterke broeikasgas methaan vrijkomen en die gepaard gaat met enorme watervervuiling.

Zowel Klein als De Witte halen eerder aangereikte oplossingen voor het klimaatprobleem onderuit. Ze geloven niet in groen kapitalisme, wondertechnologieën die de koolstof voor ons uit de lucht zuigen en maximaal inzetten op hernieuwbare energie als dat betekent dat die energie wordt gebruikt om nog meer Mercedessen te produceren. Klein schrijft een bijzonder cynisch hoofdstuk over de Virgin Climate Change van Richard Branson, of hoe opzichtige ‘groene’ initiatieven van grote bedrijven uiteindelijk toch maar één doel dienen, namelijk winst maken.

Beide auteurs klagen het gegeven aan dat er geen verzet en aanzet tot verandering komt uit de hoeken waar die vandaan zouden moeten komen en stellen vast dat overheden zich doorgaans zwak opstellen en niet durven of kunnen ingaan tegen de dwang van economische gegevenheden. De Witte constateert dat socialisten en groenen zich in het heersende economische discours inpassen en ervan uitgaan dat met wat retouches aan het systeem alles in orde komt. Klein heeft het over de groeiende verwevenheid van grote milieu-organisaties en het bedrijfsleven in de VS: organisaties worden ruime donaties aangeboden, zwichten voor het geld en kunnen niet langer ‘luis in de pels’ zijn.

Is er bij dit alles ook nog enige uitkomst? Ludo De Witte ziet die in het ecosocialisme, wat kort gezegd neerkomt op het opnieuw meer macht verwerven van volksbewegingen via het in handen nemen van de zogenaamde commons – goederen die ooit gemeenschappelijk waren zoals de publieke ruimte, gemeenschapsgronden, water, lucht. Zowel De Witte als Klein verdedigen ook de stelling dat de ecologische uitdagingen waar we voor staan geen zaak zijn van de milieubeweging alleen, maar samenhangen met andere kwesties: sociale ongelijkheid, vluchtelingenproblematiek, vrouwenrechten, rechten van inheemse bevolking, en dus ook gezamenlijk moeten worden aangepakt. Klein ziet hoop in ‘Blockadia’, de golf van burgerprotest die je op allerlei plekken in de wereld ziet opduiken wanneer er weer eens ergens een oliepijplijn wordt gepland, wanneer grond of wouden worden vernietigd, wanneer geld wordt gestopt in banken of wapens in plaats van in een schoner milieu.

Wat met persoonlijke gedragsverandering, het aannemen van een duurzamere levensstijl waar heel wat mensen individueel voor kiezen en waar ook de overheid ons maar al te graag toe aanzet, als het tenminste niet betekent dat we minder gaan consumeren? Geen van beide auteurs wijst dit af, anderzijds beschouwen ze het ook als één van de vele vormen van ontkenning: ‘ik hou me met m’n eigen tuintje bezig en aan de rest kan ik toch niks veranderen’.

Voor zover je een wake-up call nodig hebt in deze materie, vind je die zeker in ‘Als de laatste boom geveld is, …’ of in ‘No time’. Mij gaven ze in elk geval een flinke schop.

Sandra

Advertenties

Wie de wereld nu echt voedt – Vandana Shiva

Geplaatst op

Voor het eerst is een publicatie van Vandana Shiva, de Indische onderzoekster en milieu-activiste, in het Nederlands vertaald. Shiva staat bekend om decennia van strijd voor duurzame voedselvoorziening, het behoud en herstel van zaaddiversiteit en de strijd tegen de reuzen van de agro-industrie.

Uitgangspunt van ‘Wie de wereld nu echt voedt’ is het feit dat ons voedsel gereduceerd is tot een handelsproduct dat voer is voor speculatie en woekerwinsten. Landbouw en voeding zijn een slagveld geworden waarop een strijd wordt uitgevochten tussen twee visies: een industriële visie en een ecologische visie. De industriële visie heeft haar wortels in oorlog en overheersing. Voor wie het nog niet wist: bedrijven die chemicaliën produceerden die voor oorlogsvoering waren gebruikt moesten zich na 1945 heroriënteren en gingen zich dan maar toeleggen op kunstmest en pesticiden voor de landbouw. In deze visie wordt de natuur overheerst, is zij dode materie die naar believen kan worden gebruikt, bewerkt en zelfs volgens de behoeften van de mens genetisch gemanipuleerd. Landbouwers die van generatie op generatie kennis over de aarde, zaden en gewassen hebben overgeleverd worden beschouwd als dom en primitief en moeten de industriële visie overnemen of verdwijnen. De industriële landbouw functioneert op fossiele brandstoffen, monoculturen en schaalvergroting.

Daar tegenover staat de duurzame landbouw die kleinschaliger is en ingebed in een lokale gemeenschap en de aarde respecteert als een levend organisme. Deze visie berust op wetten van wederkerigheid: voedingsstoffen worden teruggegeven aan de bodem in plaats van dat deze wordt uitgeput, de kringloop van zaad tot gewas en weer zaad wordt intact gehouden en boeren krijgen een eerlijke verloning voor hun werk.

De industriële landbouw maakt er aanspraak op dat zij de enige is die de wereldbevolking kan voeden en dat meststoffen, pesticiden en ggo’s noodzakelijk zijn, maar volgens Vandana Shiva is dat niet het geval. In werkelijkheid is maar 30% van het voedsel dat we eten afkomstig van grootschalige industriële landbouwbedrijven. De andere 70% komt van kleinere boeren die bescheiden lapjes grond bewerken.  In een aantal verhelderende hoofdstukken licht de auteur met veel feitenmateriaal, cijfers en voorbeelden toe wat de wereld nu echt voedt: dat blijken onder meer een levende bodem, bijen en vlinders, biodiversiteit, de vrijheid van het zaad, lokalisatie en kleinschalige landbouwers te zijn, terwijl meststoffen en verdelgingsmiddelen, giftige monoculturen, zaaddictaturen en globalisering allerlei nefaste neveneffecten hebben die niet in het plaatje worden opgenomen.

In een laatste hoofdstuk krijg je als lezer een aantal transities aangereikt die voor een ommekeer kunnen zorgen: bijvoorbeeld van zaad als het intellectuele eigendom van bedrijven naar zaad als gemeenschappelijk eigendom, van mechanische en reductionistische wetenschap naar een agro-ecologische wetenschap gericht op relaties en verbondenheid, … Allemaal mooi natuurlijk, maar de realiteit blijft er voorlopig helaas één waarbij chemiereuzen processen winnen tegen landbouwers wanneer hun akkers met genetisch gemanipuleerde gewassen worden besmet in plaats van omgekeerd, waarbij in sommige landen boeren massaal zelfmoord plegen omdat ze door multinationals van hun grond en bestaansmiddelen worden beroofd, waarbij voedsel duizenden kilometers aflegt terwijl het net zo goed lokaal kan worden betrokken en waarbij sommige gewassen voornamelijk dieren voeden bestemd voor de op hol geslagen westerse vleesconsumptie, terwijl elders hongersnood heerst.

‘Wie de wereld nu echt voedt’ stelt de zaken scherp, Vandana Shiva neemt nergens een blad voor de mond en dat levert lectuur op die informatief zij het niet altijd prettig is. Bij mij blijft dan wel altijd de vraag achter: wat kan ik ermee? Geen vlees eten, lokale landbouw steunen, écht voedsel eten in plaats van de pakjes, zakjes en potjes van Danone, Nestlé en Unilever, zelf een moestuin onderhouden? En is dat genoeg? Ik heb er eerlijk gezegd geen antwoord op.

Sandra

 

 

Luna’s erfenis – Julia Butterfly Hill

Geplaatst op Geupdate op

Nog een keer een hartversterkend boek gelezen, zo’n boek waar je inspiratie van krijgt en dat een licht gevoel nalaat, ook al is het onderwerp verre van luchtig. In ‘Luna’s erfenis’ brengt Julia Butterfly Hill verslag uit van de twee jaar die ze ononderbroken in een reusachtige sequoia in het uiterste Noorden van Californië doorbracht. Ze noemde de boom, die met een blauw teken was gemerkt om te worden gekapt, Luna en stelde zich tot doel er niet uit te komen voor de bescherming ervan was verzekerd. Luna bevond zich in een gebied waar oeroude bossen genadeloos werden gekapt, waar dorpen als gevolg daarvan bij zware regenval door aardverschuivingen werden bedreigd en waar in het algemeen de macht van het grote geld systematisch leek voor te gaan op het welzijn van mensen, dieren en natuur.

Hill vertelt onderhoudend hoe ze een beetje naïef en toevallig in het activistenbestaan rolde. Op reis met andere jongeren ontdekte ze het gebied en kwam ze voor het eerst in aanraking met zogenaamde boomzitters. Ze werd zo diep geraakt door de schoonheid van de bossen en de verschrikkingen van de leegkap dat ze het vanzelf als haar levenstaak ging zien om hierin een rol te spelen. Ze zocht het basiskamp van de activisten op, werd er totaal niet verwelkomd en kreeg het gevoel dat ze als onwetend groentje alleen maar in de weg liep. De boomzitters waren verbonden met een milieu-organisatie, terwijl zij dat helemaal niet was, en zowat iedereen liet haar verstaan dat ze er niks kon komen doen. Haar opvoeding als predikantendochter kwam plots goed van pas. Van haar ouders had ze namelijk geleerd zich in te zetten voor datgene waar ze in geloofde en zich er niet zomaar door tegenstand of meningen van anderen vanaf te laten brengen. Ze hield dus vol, kon toch een connectie aanknopen met enkele mensen en kreeg op een dag de kans om in de boom te klimmen die ze later Luna zou noemen. Het werd een beangstigende, maar ook geweldige ervaring.

lunas_erfenis_-_julia_butterfly_hillEr was een systeem waardoor telkens één of twee mensen in een boom zaten gedurende enkele dagen en dan werden afgelost door anderen. Aan het einde van het seizoen, wanneer de winter in zicht kwam, keerden de meeste activisten huiswaarts. Dat betekende echter niet dat de bomen dan geen risico meer liepen want het vellen ging ook in het koude seizoen door. Hill vond het volkomen onlogisch om een boom een tijdje te beschermen en hem dan in de steek te laten. Toen er op een bepaald moment geen vervanging voor één van de boomzitters was, bood ze aan om een langere periode – een week, een maand – in een boom te gaan zitten. Zo geschiedde. In december 1997 klom ze de 60 meter naar het platform bovenin de boom, zonder enig vermoeden dat ze pas in december 1999 opnieuw vaste grond onder de voeten zou voelen.

Wat volgt is een afwisselend verhaal. De ene keer gaat het over de puur praktische kant van het leven in een boom: hoe ze het toilet vrouwriendelijker maakt, wat ze eet, hoe ze ervoor zorgt dat ze voldoende lichaamsbeweging krijgt, hoe ze zich beschermt tegen kou, sneeuw en rukwinden in de winter, hoe ze reparaties uitvoert aan de primitieve en krappe behuizing van hout, zeildoek en isoltatietape. Sommige momenten zijn hallucinant of adembenemend: Hill vertelt hoe ze zich urenlang in een storm met rukwinden tot 150 km/uur vastklemde aan de middenpaal van het platform en bad voor haar leven, hoe ze tijdens de eerste winter bevroren tenen kreeg en hoe ze leerde om op blote voeten en zonder klimgordel in Luna rond te klimmen, waardoor ze een diepe gehechtheid aan de boom ontwikkelde.

Daarnaast gaat het ook over de politieke kant van haar actie: geleidelijk kreeg ze lokale, nationale en internationale bekendheid, moest ze omgaan met media, kreeg ze soms meer bezoek dan haar lief was, werd ze door sommigen cynisch afgekraakt en door anderen opgehemeld.

Van het bedrijf dat verantwoordelijk was voor de houtkap in het gebied en dat liefst zo snel mogelijk haar geliefde Luna wilde omleggen had ze het hard te verduren. Houthakkers bespotten en bedreigden haar, er werden helikopters ingezet om haar te intimideren, een gebied in de buurt van de boom werd dagenlang platgebrand, ze werd uit haar slaap gehouden door constant lawaai. Een absoluut dieptepunt van haar actie was toen een mede-activist op de begane grond onder een vallende boom omkwam.

Haar pogingen om contacten te leggen met de directie van het houtwinningsbedrijf werden lange tijd systematisch genegeerd. Uiteindelijk kwam er toch beweging in de zaak en na maandenlange onderhandelingen en met steun van stakende staalarbeiders en internationaal bekende artiesten werd een akkoord bereikt over de bescherming van Luna en andere bomen en bossen.

Er zijn risico’s aan dit soort literatuur: dat het een imponerend verhaal over bovenmenselijk heldendom wordt. Of dat je ongemakkelijk op je stoel gaat schuiven door het sentimentele zweefgehalte. Julia Butterfly Hill (Butterfly is haar activistennaam) weet dat gelukkig allemaal te omzeilen. Door haar manier van schrijven geeft ze de boodschap: ik ben maar een gewoon mens dat in buitengewone omstandigheden terechtkwam en ik deed wat nodig was om daarmee te leren omgaan. Beschrijvingen van angst, pure paniek, leegte en twijfels laat ze niet achterwege. Als lezer ga je ook begrijpen wat haar in staat stelde om die twee jaar vol te maken: enerzijds een onbuigzame koppigheid om voor haar doel te blijven gaan, en anderzijds een diep spiritueel gevoel over haar verbinding met de natuur en wat ze van die laatste kon leren.

Soms ga ik me kleintjes voelen van een boek als ‘Luna’s erfenis’. Wat doe ik eigenlijk? Wat voor verschil maak ik? Moeten we niet met z’n allen gaan actie voeren, beschermen, protesteren, … ? Bij Hill’s verhaal krijg ik dat gevoel niet. Wat ik er wel uit besluit: wees wakker en bewust in plaats van je slaapwandelend te laten leven. Maak de keuzes die voor jou het meest echt en levendig aanvoelen en wees daarin compromisloos jezelf, dan maak je sowieso ergens een verschil. En ook: word niet bitter en bewaar altijd hoop.

Er zijn heel wat filmpjes over Julia Hill te vinden op het internet. Hier is een mooie over ‘hope committed to action’.

7 redenen waarom je ‘De mythe van de groene economie’ moét lezen!

Geplaatst op Geupdate op

Lees je wel eens vaker over milieu-thema’s en ben je nog niet toegekomen aan ‘De mythe van de groene economie’ van Anneleen Kenis en Matthias Lievens? Laat alles vallen, ren naar boekhandel of bibliotheek en begin te lezen. Lees je nooit over milieu-thema’s? Doe er iets aan en laat ‘De mythe van de groene economie’ desnoods het enige zijn wat je over dit onderwerp leest. Het is namelijk een aanrader in het kwadraat. Waarom? 7 goeie redenen:

1. ‘Eye opener’

groene economieSommige boeken geven je een andere blik op de werkelijkheid. Je hebt de dingen niet eerder in dit licht gezien, de schellen vallen van je ogen, kortom, je kan niet meer terug naar je staat van zalige of onzalige onwetendheid van tevoren. Tussendoor mompel je ‘hé ja’, ‘klopt, waarom zag ik dat niet eerder?’.

Hoofdstuk 2 ‘Een postpolitiek klimaat’ is bijvoorbeeld bijzonder sterk op dat vlak. Dat gaat over het feit dat de milieuproblematiek in de loop van de tijd zo mainstream is geworden dat iedereen zich ermee gaat bezighouden: het is niet enkel meer de zaak van milieuverenigingen, maar ook van de politiek, de bedrijfswereld en van individuen. Daardoor ontstaat de neiging om naar een dialoog- en samenwerkingsmodel te evolueren. Vermits we allemaal in hetzelfde schuitje zitten, wordt ‘Allemaal samen voor de aarde’ de nieuwe kreet. Traditionele tegenstellingen tussen belangen van bedrijven en die van ngo’s, tussen politiek links en rechts worden naar de achtergrond verschoven. Belangrijker is om te handelen, ‘Act now!’. Eén van de risico’s van het samenwerkingsmodel is het zogenaamde ‘greenwashing’: bedrijven die via een zachtgroen vernisje kunnen verdoezelen dat ze gewoon doorgaan met destructieve praktijken. IKEA steunt Natuurpunt in een herbebossingsproject in Vlaanderen, maar laat via een dochteronderneming in Rusland jaarlijks zo’n 1000 voetbalvelden oeroude bomen omhakken bijvoorbeeld. Maar wat erger is: door de ‘allen samen’-gedachte wordt de vijand geëxternaliseerd – broeikasgassen zijn nu de collectieve boeman – en vervaagt het zicht op de verantwoordelijkheid en de grondoorzaken. ‘De mens’ heeft het klimaat uit balans gebracht en iedereen draagt daarvoor een min of meer gelijke verantwoordelijkheid, zo lijkt het.

Op de duur kom je terecht in een postpolitiek klimaat, waarbij er vreemd genoeg meer contestatie is over de vraag of klimaatverandering en de menselijke rol erin al dan niet een feit zijn, dan over oorzaken, alternatieven en strategieën, die nu net de inzet van intens politiek debat zouden moeten zijn. Kenis en Lievens gaan ver in hun analyse en stellen dat de milieubeweging de nieuwe vijand is geworden van neoliberale en neoconservatieve ideologieën en dat klimaatscepticisme door hen actief wordt aangewakkerd, waardoor het eigenlijke debat wordt ontlopen. Zij pleiten dan ook voor een ‘herpolitisering’. Zelf dragen ze hun steentje bij door de eigenlijke inzet van de strijd weer zichtbaar te maken.

In hoofdstuk 5 ‘Veranderen zonder te veranderen’ gaat het onder andere over recyclage en andere vormen van individueel ecologisch gedrag. Deze door de industrie zelf aangedragen milieustrategie legt verantwoordelijkheid bij het individu en haalt ze weg bij de bedrijven. Niet het product of de producent, maar de consument is het probleem. Afval vermijden hoeft niet, gooi het gewoon in de juiste vuilniszak. In plaats van bedrijven strengere milieunormen op te leggen, gaat de overheid campagnes voor individuele gedragsverandering voeren. De impact daarvan is reëel: mensen krijgen de indruk dat de enige manier waarop ze iets kunnen doen uit bezorgdheid om het milieu het verminderen van hun eigen ecologische voetafdruk is. Daardoor reageren ze zoals de industrie hen graag heeft: als consumenten.

2. ‘Guts’ oftewel lef 

Eén van de belangrijkste stellingen van het boek en een conclusie waar de auteurs telkens weer op uitkomen, is: het kapitalistische systeem met zijn gerichtheid op kapitaalaccumulatie en de manier waarop het in grote mate onze samenleving doordringt is één van de grondoorzaken van de ecologische toestand van de planeet. Klimaatverandering kan je niet puur bekijken als een milieukwestie, omdat het raakt aan alle belangrijke problemen van onze tijd: sociale ongelijkheid, imperialisme, migratie, ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, democratisch deficit, de macht van multinationals en financiële markten. Genoeg redenen dus om het tot een centraal thema te maken in de beleidsvorming. Intussen levert klimaattop na klimaattop nauwelijks meer op dan wat gratuite afspraken en bepalingen over emissiehandel en koolstofcompensatie.

Wel valt er een groeiende trend tot verantwoord en duurzaam ondernemen en het vergroenen van de economie waar te nemen. Kenis en Lievens zijn er kritisch over: volgens hen gaat het om evoluties die niet raken aan de fundamenten van het systeem en wordt er eerder geprobeerd om klimaatprotest te integreren om een nieuw model van kapitalisme mogelijk te maken. Het vervelende daaraan is dat groene economische maatregelen meer dan eens voor een zekere milieuwinst op één terrein zorgen, maar nieuwe milieuschade veroorzaken op een ander vlak.

Beide auteurs lijken stevig ingebed in de academische wereld aan een katholieke universiteit (KU Leuven). Hoewel wetenschappers per definitie geacht worden onafhankelijk te zijn, kan ik me voorstellen dat de fundamenten van ons maatschappelijk systeem in vraag stellen voor mensen in hun positie een moedige daad is. Vraagtekens zetten bij de supprematie van economische groei, en dus ook bv. werkgelegenheid en koopkracht, het is een stap die ook vele groene jongens, en al helemaal groene politici, niet aandurven wegens te vergaand of te ‘geitenwollen sok’. Je kan er makkelijk voor weggelachen of verketterd worden. Hoedje af dus wegens intellectuele durf.

Lees de rest van dit artikel »

‘Terugkeer naar het leven’ – Joanna Macy & Molly Young Brown

Geplaatst op Geupdate op

Ik heb ‘m eindekaft terugkeer naar het levenlijk uit: ‘Terugkeer naar het leven’, van Joanna Macy en Molly Young Brown. Ik had me voorgenomen om er een stuk over te schrijven en daar begin ik nu dus aan, al wordt het naar mijn gevoel geen gemakkelijke klus om dit boek te bespreken. Maar eerst even een aanloop nemen. Een paar maanden geleden nam ik deel aan een weekend ‘innerlijke transitie’. Wat dat is? Voor wie niet weet wat transitie is: in meer en meer steden en dorpen over de hele wereld heb je transitie-initiatieven. Deze stellen zich tot doel een lokale gemeenschap voor te bereiden op een toekomst met minder fossiele brandstoffen, terwijl ze tegelijkertijd een antwoord willen bieden op de problematiek van klimaatverandering. Waar het vooral om draait is het herstel van de lokale veerkracht en gemeenschap en het verminderen van afhankelijkheid op allerlei vlakken.

Innerlijke transitie heeft als doel ons in contact te brengen met beknellende gevoelens (onmacht, apathie, schuldgevoelens, pijn, …) om de benarde toestand waarin de aarde zich bevindt en ons opnieuw in verbinding te brengen met onze natuurlijke omgeving. Het is gebaseerd op het werk van Joanna Macy, een Amerikaanse milieu-activiste die al enkele decennia in de hele wereld actief is en deel uitmaakt van de ‘deep ecology’-beweging.

En zo komen we dus uit bij ‘Terugkeer naar het leven’ (‘Coming Back to Life’), dat Macy samen met psychotherapeute en mede-activiste Molly Young Brown schreef. Macy en Brown houden zich er niet mee bezig de toestand van onze wereld te beschrijven. Via de media worden we trouwens al vaak genoeg om de oren geslagen met de zoveelste olieramp, uitstervende diersoort, bedreigd ecosysteem, ozongat of onheilsvoorspelling. Na een korte inleiding gaan ze er meteen toe over een beeld te schetsen van ‘De Grote Ommekeer’ die nodig is. De drie in elkaar overlopende dimensies daarvan zijn volgens hen:

  • ‘reddingsacties’ ter bescherming van het leven op aarde (campagnes, lobbywerk, actief natuurbehoud),
  • creëren van alternatieve structuren (transitiesteden, anders consumeren, ethische handel, lokale voedselvoorziening, LETS, etc) en ten slotte
  • een cognitieve en spirituele verschuiving in onze waarneming van de realiteit.

Naar deze laatste dimensie gaat vervolgens alle aandacht uit. De meesten van ons staan op dit moment eigenlijk maar wat toe te kijken. Als we al enige pijn zouden voelen om hoe de aarde eraan toe is, dan zijn we er meesters in geworden om het niet te hoeven voelen. Macy en Young analyseren in detail de psychologische en sociaal-economische bronnen voor de verdringing waar we zowat collectief inzitten. Dat gaat van angst voor pijn (onze samenleving heeft een pil voor elke pijn, zodat we niks meer hoeven te voelen), angst om een doemdenker te lijken (‘hou het gezellig, zeg’), angst voor onmacht en schuldgevoelens (‘wat kan ik eraan doen, het overstijgt me’) tot de invloed van massamedia (leeg amusement en prikkels om te consumeren halen de overhand op informatie) en werkdruk (je bezighouden met het lot van de wereld is veel gevraagd als je baan op de tocht staat of je in stress dreigt te verzuipen). Het gevolg van verdringing is dat we in vluchtmechanismen terecht komen, passief worden of burnt out raken. Joanna Macy beschouwt deze houdingen als het grootste gevaar voor de toekomst van de planeet: ‘Ik denk dat van alle gevaren die ons bedreigen – zoals militarisme, vervuiling, overbevolking, uitstervende diersoorten – er geen gevaar zo groot is als onze ontkenning. Dat maakt namelijk dat we niet meer reageren.’ Het goeie nieuws is dat het ook anders kan en dat we het zelf in de hand kunnen nemen.

Lees de rest van dit artikel »